| |
Onder moeders paraplu
Onder moeders
paraplu
Liepen eens twee
kindjes,
Hanneke en
Janneke,
Dat waren dikke
vrindjes,
En de klompjes
gingen van klik-klak-klik,
En de regen deed
van tik-tak-tik
Onder moeders
paraplu,
Onder moeders
paraplu.
|
|
 |
| |
Op een
grote paddenstoel
Op een grote
paddenstoel,
Rood met witte
stippen,
Zat kabouter
Spillebeen,
Heen en weer te
wippen.
Krak, zei toen
de paddenstoel,
Met een diepe
zucht,
Allebei de
beentjes,
Hoepla in de
lucht!
|
|
 |
| |
Poesje
mauw
Poesje mauw,
Kom eens gauw,
Ik heb lekkere
melk voor jou,
En voor mij,
Rijstebrij,
Oh wat heerlijk
smullen wij.
Hondje waf,
Waf waf waf,
Blijf van mijn
lekkere melkje af,
Aardig dier,
Kom eens hier,
Geef me een
pootje van plezier.
|
|
 |
| |
Zo gaat de
molen
Zo gaat de
molen, de molen, de molen,
Zo gaat de
molen, de mo-ho-len.
Zo gaan de
wieken, de wieken, de wieken,
Zo gaan de
wieken, de wie-hie-ken.
|
|
 |
| |
Een, twee,
drie, vier
Een, twee, drie,
vier,
Hoedje van,
hoedje van,
Een, twee, drie,
vier,
Hoedje van
papier.
Heb je dan geen
hoedje meer,
Maak er een van
bordpapier,
Een, twee, drie,
vier,
Hoedje van
papier.
Een, twee, drie,
vier,
Hoedje van,
hoedje van,
Een, twee, drie,
vier,
Hoedje van
papier.
En als het
hoedje dan niet past,
Zetten we ’t in
de glazenkast.
Een, twee, drie,
vier,
Hoedje van
papier.
|
|
 |
| |
Roodkapje
Zeg Roodkapje,
waar ga je henen,
Zo alleen, zo
alleen,
Zeg Roodkapje,
waar ga je henen,
Zo alleen?
‘k Ga naar
grootmoeder koekjes brengen,
In het bos, in
het bos.
‘k Ga naar
grootmoeder koekjes brengen,
In het bos.
In het bos zijn
de wilde dieren,
In het bos, in
het bos.
In het bos zijn
de wilde dieren,
In het bos.
‘k Ben niet bang
voor de wilde dieren,
‘k Ben niet
bang, ‘k ben niet bang.
‘k ben niet bang
voor de wilde dieren,
‘k ben niet ban.
‘k Zal wel zien
of jij niet bang bent,
‘k Zal wel zien,
‘k zal wel zien.
‘k Zal wel zien
of jij niet bang bent,
‘k Zal wel zien.
|
|
 |
| |
Boer, wat
zeg je van mijn kippen
Boer, wat zeg je
van mijn kippen,
Boer, wat zeg je
van mijn haan?
Hebben ze dan
geen mooie veren,
Of staat jou de
kleur niet aan?
Boer, wat zeg je
van mijn kippen,
Boer, wat zeg je
van mijn haan?
|
|
 |
| |
Mickey
Mouse
Mickey Mouse
ging visjes vangen,
Bleef met zijn
neus aan de hengel hangen.
Mickey Mouse zei
au, au, au,
En zijn neus
werd rood wit blauw!
|
|
 |
| |
Alle
eendjes zwemmen in het water
Alle eendjes
zwemmen in het water,
Falderalderiere,
falderalderare,
Alle eendjes
zwemmen in het water,
Fal, de fal de
falderalderalderaldera!
|
|
 |
| |
Berend
Botje
Berend Botje
ging uit varen,
Met zijn
scheepje naar Zuidlaren.
De weg was
recht, de weg was krom.
Nooit kwam
Berend Botje weerom.
Een, twee, drie,
vier, vijf, zes, zeven,
Waar is Berend
Botje gebleven?
Hij is niet
hier, hij is niet daar,
Hij is naar
Amerika.
Amerika,
Amerika,
Drie maal in de
rondte, van je hopsasa!
|
|
 |
| |
Het regent, het regent
Het regent, het regent,
De pannetjes worden nat.
Daar kwamen twee boerinnetjes,
Die vielen op hun kinnetjes,
Het regent, het regent,
De pannetjes worden nat.
|
|
 |
| |
|
|
|
| |
|
|
|